DIERZIEKTENIEUWS voor een gezond 2019.

KITTENS MET WORMEN ZIJN GEVAARLIJK VOOR KINDEREN!

http://www.merialsupport.eu/nieuwsbrief/downloads/ESCCAP_ToxocaraCatiVL-NL.pdf


* STRONGHOLD KAT,

beschermt ruim 4 weken tegen worm, vlo, teek en oormijt: 12,50.

Bestel hier online door te klikken, komt per post naar je toe!   KLIK http://useplink.com/payment/sQMPjmTW5K5vJFVa6uM6 

 

* WIL je informatie over een probleem bij je dier?
Kijk dan es hier http://twitter.com/DierenhulpO

 

* Leuke katteninfo?  https://cat-care.nl/


* Het beste alternatief voor ons versvoer?
http://www.health-petfood.nl
 

Jonge katten met chronische diarree, geen Giardia maar Tritrichomonas!
 

Hoe komt een kat aan Tritrichomonas foetus?
De oorsprong van Tritrichomonas foetus bij de kat is onbekend.
Tritrichomonas foetus wordt vooral gezien in populaties waar meerdere katten in een omgeving gehouden worden en waar een verhoogde infectiedruk aanwezig is, zoals asiels en cattery's. Maar ook bij eigenaren thuis die meerdere katten in huis hebben. Katten besmetten elkaar door onderling contact maar ook via verse ontlasting. Er is geen bewijs dat besmetting optreedt via andere diersoorten of via voer en/of waterbakjes.

Wat zijn de klachten van Tritrichomonas foetus bij de kat?
Tritrichomonas foetus veroorzaakt met name een dikke darmontsteking (zogenaamde colitis) welke gepaard gaat met langdurige diarree. Vaak hebben de katten een verhoogde ontlastingsfrequentie. De ontlasting is brijig tot vloeibaar, met soms wat slijm en bloed erbij. Door het vele poepen kan de anus ontstoken en pijnlijk zijn. Opvallend is dat de katten niet ziek zijn en niet vermageren ondanks dat de diarree heftig kan zijn. Soms zijn er periodes dat de diarree minder is maar het spontaan verdwijnen van de infectie is nog nooit waargenomen.

Tritrichomonas foetus kan op alle leeftijden voorkomen maar we zien het vooral bij kittens en
bij katten jonger dan 12 maanden, echter zelden boven de leeftijd van 2 jaar.

Wat is de behandeling voor katten met Tritrichomonas foetus infectie?


De parasiet is ongevoelig voor de meeste anti-protozoaire medicijnen zoals fenbendazol en metronidazol. Het gebruik van antibiotica heeft vaak wel enig effect op de ernst van de diarree maar het pakt niet het onderliggende probleem aan en de diarree komt later weer opzette

Het enige effectieve middel is ronidazol, echter ronidazol is niet geregistreerd voor de kat en er moet daarom voorzichtig mee worden omgegaan vanwege de mogelijke bijwerkingen. Ronidazol kan bij de kat neurologische verschijnselen geven zoals epilepsie en spiertrillingen. Deze klachten verdwijnen zodra gestopt wordt met de behandeling.

Vanwege de bijwerkingen behandelen we katten niet preventief. Alleen katten met klachten worden behandeld met ronidazol, met als dosering 30 mg per kg lichaamsgewicht gedurende 14 dagen. 

 

 

FILMPJE!

http://youtu.be/jAVEGoJcJwE

 

 

NIEUWS OVER DE ACUTE KONIJNENSTERFTE.

http://www.uu.nl/nieuws/landelijke-sterfte-onder-konijnen-als-gevolg-van-vhd-viral-hemorrhagic-disease

 

LEES DIT OOK EENS! 

http://www.mcvoordieren.nl/misvattingen-inenting-hond-kat
 

* Longworm bij de kat.
 

Nieuw is de plots vaker voorkomende longworm van de kat, de Aelurostrongylus abstrusus genaamd.
Recente publicaties geven ook wetenschappelijk bewezen aan, dat het voorkomen van deze A. abstrusus toeneemt.
Deze toename zou te maken hebben met de opwarming van de aarde.
Mogelijke symptomen zijn een milde tot intense chronische hoest, piepende ademhaling, neusuitvloeiing, snelle en bemoeilijkte ademhaling.
Ernstige symptomen zoals een open-bek ademhaling, te snelle hartslag en zelfs sterfte kunnen voorkomen bij jonge, verzwakte en/of immunodeficiënte katten. Aelurostrongylus wordt eveneens geassocieerd met narcose-gerelateerde sterfte van voornamelijk jonge katten.

BROADLINE is op dit moment het enige product dat geregistreerd is voor de behandeling van Aelurostrongylus abstrusus (L3 en L4 larven en volwassen wormen): vraag ernaar in onze aoptheek: advies is 4x per jaar ontwormen bij alle buitenkomende katten.

 

* Leptospirose bij de hond, is een bacteriële, besmettelijke ziekte die over de hele wereld voorkomt en wordt veroorzaakt door leptospiren.

Deze leptospiren worden via de urine van geïnfecteerde honden uitgescheiden en besmetten daarmee de leefomgeving. Een hond raakt besmet doordat leptospiren vanuit de leefomgeving via de slijmvliezen of wondjes het lichaam van de hond binnendringen. Vervolgens verspreiden ze zich via het bloed naar verschillende organen, waardoor ongeveer een week na besmetting de eerste algemene symptomen kunnen optreden, zoals verminderde eetlust, braken en koorts. Als de ziekte verergert, doen zich, afhankelijk van de betrokken organen, andere symptomen voor. De dieren zijn uitgeput, hebben soms geelzucht, trillende spieren of bloederige diarree door ernstige beschadiging van het maagdarmkanaal. Aantasting van de nieren leidt ertoe dat de dieren frequent moeten plassen en resulteert vaak in uitval van de nieren. Ook aantasting van de longen is mogelijk; in dat geval zien we dat de dieren gaan hoesten (mogelijk met bloed) en benauwd zijn. Bij niet-gevaccineerde dieren heeft een ernstige leptospirose-infectie meestal een dodelijke afloop.

Via urine scheiden geïnfecteerde honden leptospiren uit en besmetten daarmee de leefomgeving. Met name uitlaatplaatsen, grasvelden en stilstaand (zwem)water zijn beruchte besmettingshaarden. Kleine knaagdieren, zoals muizen en ratten, spelen een rol bij de verdere verspreiding en instandhouding van leptospiren in het milieu. Een hond raakt besmet doordat leptospiren vanuit de leefomgeving via de slijmvliezen of via wondjes het lichaam van de hond binnendringen. Leptospirose wordt veroorzaakt door schroefvormige, beweeglijke bacteriën (leptospiren), die vooral door knaagdieren (muizen, ratten) en besmette honden in de omgeving verspreid worden. Bij temperaturen van 18°C of hoger kunnen zij tot wel zes weken in de grond overleven en in warm, stilstaand water wel drie maanden en langer. Vandaar ook dat veel besmettingen zich in de warme zomermaanden voordoen.

Van leptospiren bestaan veel verschillende varianten die verschillende ziektebeelden bij de hond kunnen veroorzaken. De ziekte van Weil is daarvan de beruchtste, maar ook andere verschijningsvormen van leptospirose zijn beschreven.

Terwijl de afgelopen twintig jaar vooral 2 leptospirosesoorten (Canicola en Icterohaemorrhagiae) voor besmetting van honden in Europa verantwoordelijk waren, worden steeds vaker ook andere varianten in West-Europa aangetroffen (Australis en Grippotyphosa).

Deze verandering gaat gepaard met een veranderd ziektebeeld. Zo zien we sinds het begin van deze eeuw steeds vaker dat tijdens het verloop van de ziekte de longen worden aangetast.

Daarom heeft de Industrie een aangepast vaccinatieschema ontworpen:

Voor dieren die tot nu toe de gewone jaarlijkse cocktail kregen:
éérst tweemaal de leptosirose-4 vaccinatie, en daarna weer jaarlijks éénmaal om en om in combinatie met de cocktail of alleen (óns advies: dan mét Parvo!).

NB:
VERHALEN OP HET INTERNET OVER STERFTE DOOR DE NIEUWE L4-VACCINS ZIJN UIT DE DUIM GEZOGEN!
WIJ ENTEN NU AL RUIM EEN JAAR MET DEZE NIEUWE BESCHERMING EN HEBBEN NOG NIET ÉÉN PROBLEEM ERVAREN, ZO OOK ONZE COLLEGAE IN EN BUITEN NEDERLAND NIET. 

 

Papegaaienziekte bij dieren uit de dierenwinkel.

Psittacose bij vogels wordt veroorzaakt door de bacterie C. psittaci. De ziekteverschijnselen zijn niet specifiek waaronder lethargie, benauwdheid, verminderde eetlust, bol zitten, oog- en neusuitvloeiing en een geelgroene uraatfractie in de ontlasting. Met name grote vogels vertonen ziekteverschijnselen, bij kleine vogels worden meestal geen klinische verschijnselen waargenomen. Vogels scheiden de bacterie uit met de feces en via oog- en neusuitvloeiing. Door het indrogen van deze excreta komt de bacterie in de lucht en wordt via aerosolen en stofdeeltjes verspreid. Omdat psittacose een zoönose is, kunnen niet alleen andere vogels maar ook mensen besmet raken en ziek worden. De belangrijkste transmissieroute naar de mens is via inhalatie van besmette aerosolen of stofdeeltjes.

Bij de mens kan de infectie symptoomloos verlopen, maar kan zich ook uiten als een griepachtig ziektebeeld met koorts, hevige hoofdpijn, spierpijn, hoesten, rillerigheid en zweten, of zich presenteren als een ernstige vorm van pneumonie of als een septisch ziektebeeld met multi-orgaanfalen waarvoor opname in het ziekenhuis noodzakelijk is.

 

De NVWA adviseert om een nieuw aangeschafte vogel 30 dagen in quarantaine te plaatsen voordat deze aan de koppel wordt toegevoegd. Dit geldt ook voor vogels die in contact zijn geweest met andere vogels, bijvoorbeeld op een vogelshow.
Voordat de dieren (opnieuw) aan de koppel worden toegevoegd moeten zij worden getest op C. psittaci.
Regelmatig reinigen en desinfecteren van vogelverblijven zorgt voor het minimaliseren van de infectiedruk en voorkomt besmetting en verspreiding van de bacterie wanneer er uitscheiders in de koppel aanwezig zijn, zie ook LCI richtlijn psittacose.

 

* Dierenartsenpraktijken als keten overgenomen door de voedingsfirma MARS.
 

Tegenwoordig zijn een aantal praktijken (ook in Den Haag!) onderdeel van een keten.
Dat zijn commerciele bedrijven, geleid door zakenmensen (dus geen dierenartsen).
Nu ze een flink aantal praktijken overgenomen hebben, verzilveren ze hun investering
door de verkoop van deze hele keten (van de firma AniCura) aan MARS, uit Veghel.

MARS is een van de grootste voedingsfirma's van de wereld.
Nu deze trend zich voortzet, hebben we een (naar onze mening ongewenste)
tweedeling binnen de diergeneeskunde: de ketendierenartsen en de onafhankelijke
dierenartsen.
De onafhankelijke dierenartsen zijn academisch opgeleide praktici met oog voor
diergeneeskunde op wetenschappelijk niveau.
De ketenpraktijken worden geleid door marketing- en financiele bestuurders die
meer interesse hebben in de winst. 

Nu alle praktijken verkocht zijn aan MARS, zal de nadruk komen te liggen op de
verkoop van dieetvoer, veel meer dan op academisch niveau "evidence based"
diergeneeskunde bedrijven.

 

* GEDRAGSPROBLEMEN BIJ UW DIER:

 

Het is belangrijk om te achterhalen hoe probleemgedrag rondom het reizen is ontstaan. Als je weet hoe het komt dat het dier zo angstig of gestrest is, kun je werken aan een oplossing. De eerste stap in een therapeutisch traject, na het uitsluiten van de eventueel medische oorzaken, is dus het achterhalen hoe en sinds wanneer het probleemgedrag rondom het reizen is ontstaan.
Een paar voorbeeld vragen:
• is hij op jonge leeftijd (tijdens de primaire en secundaire socialisatiefase) nooit mee geweest in een auto, en/of is het niet goed opgebouwd?
• is het dier in de auto een keer heel erg geschrokken van iets (hard remmen, claxonneren, verschuiven van spullen)?
• heeft hij zich bezeerd in de auto (klem gezeten, gevallen)?
• heeft het dier een medisch probleem waardoor hij bijvoorbeeld pijn heeft bij het in en uit de auto springen?
• is het probleem ontstaan na een rit naar bijvoorbeeld de dierenarts, waar het dier een pijnlijke of nare ervaring heeft gehad?
• Heeft het dier ooit een keer in een te warme auto gezeten (hyperthermie)?

HONDEN:


Misselijkheid of ’reisziekte’
Hierboven nog niet genoemde oorzaak, maar wel vaak voorkomend, is een negatieve associatie met autorijden, omdat de hond ooit misselijk is geweest tijdens een autorit, óf misschien nog steeds is. Dit kan vervolgens ook leiden tot extra stress en angst als je weer in de auto moet. Reisziekte, of kinetose, is een veel voorkomende aandoening bij de hond en wordt veroorzaakt door een discrepantie tussen de verschillende signalen die de hersenen te verwerken krijgen tijdens transport. Op het moment dat de informatie van het evenwichtsorgaan niet hetzelfde is als die van de andere zintuigen, kun je last krijgen van reisziekte. Door abnormale bewegingen van de vloeistof in de kanalen van het evenwichtsorgaan ontstaan de klachten die horen bij reisziekte. Hoe grootser de abnormale bewegingen van de vloeistof in de kanalen, des te groter de kans op reisziekte. Misselijkheid uitsluiten is daarom altijd de eerste stap die gemaakt moet worden om problemen bij autorijden aan te pakken. Misselijkheid is te herkennen aan speekselen, veelvuldig slikken of boeren, eventueel ook braken en diarree of sloomheid tijdens of na de autorit. Het hersengebied dat deze impulsen verwerkt wordt ook beïnvloed door onrust en angst, waardoor de effecten van de andere signalen worden versterkt. We hebben sterke aanwijzingen dat pupjes die al misselijk zijn bij de eerste autorit van de fokker naar de nieuwe eigenaar vaak hun hele leven problemen blijven houden met autorijden. Denk daarbij ook aan honden uit de commerciële internationale hondenhandel waar soms zeer hardnekkige problemen met autorijden lijken voor te komen. Niet zo raar natuurlijk als je precies na gespeend te zijn van je moeder tijdens de socialisatiefase zo iets traumatiserends moet meemaken als een lange reis met heel veel pups in een te krappe auto: mocht je daarbij ook nog wagenziek worden als pup dan kan dit consequenties hebben voor de rest van je leven.

Voorkomen is beter dan genezen Geef de hond geen grote maaltijd vlak voor een autorit maar een kleine portie licht verteerbaar eten (ook een lege maag kan sneller voor reisziekte zorgen). Probeer wegen met veel bochten, waarbij veel geremd moet worden te vermijden. Zorg er eventueel ook voor dat de hond uit het raam kan kijken, dit helpt net als bij mensen tegen wagenziekte. Als extra steun kan één van de eigenaren bij de hond op de achterbank gaan zitten.

Om reisziekte te voorkomen kunnen voor honden ook tabletten tegen reisziekte worden meegegeven. Geregistreerd voor reisziekte bij honden zijn maropitant tabletten (Cerenia van Zoetis) en het antihistaminicum cyclizine (Reisfit, vrij verkrijgbaar). Cerenia-tabletten worden gedurende maximaal twee opeenvolgende dagen eenmaal daags aan honden toegediend in een dosering van 8 mg maropitant per kg lichaamsgewicht om braken als gevolg van bewegingsziekte te voorkomen. De tabletten dienen ten minste een uur voor de aanvang van de reis toegediend te worden, tot maximaal 12 uur voor vertrek. De behandeling mag maximaal twee opeenvolgende dagen herhaald worden. De herhaaldosering ligt voor bij sommige individuen lager. Alleen gebruik bij dieren ouder dan 16 weken. Lees voor gebruik de bijsluiter. Voor reisziekte wordt een lichte maaltijd of snack vóór de dosering aanbevolen, lang vasten voor toediening dient vermeden te worden. Cerenia Tabletten dienen echter niet verpakt in of omhuld met voedsel toegediend te worden daar dit het oplossen van de tablet en dus de aanvang van de werking kan vertragen.

 

Training:

De ernst en uitingsvorm van het gedragsprobleem rondom het reizen geven een indicatie hoe een training ingezet kan gaan worden. Wordt de hond al onrustig als hij het idee krijgt dat hij weer in de auto moet, of gaat hij wel goed mee in de auto, maar begint het probleem tijdens het rijden zelf? Treedt het probleem ook op bij korte autoritten? Maakt het uit met welke personen/andere dieren hij zich in de auto bevindt of op welke plek hij zit in de auto? Is de hond ook bang voor langsrijdende andere auto's als hij buiten wandelt? Voor sommige honden maakt ook het type auto en de ruimte die hij heeft een groot verschil. Denk alleen al aan oudere dieren of dieren met een medisch probleem die minder makkelijk een hoge auto in kunnen springen. Voor die dieren kan een ander type auto of een loopplank een oplossing zijn. Sommige (grotere) honden vinden voldoende (sta) ruimte belangrijk en doen het prima in een auto met een grote achterbak (type stationcar), maar bijvoorbeeld niet in een Fiat Panda.

Zowel bij pups als bij oudere honden die opnieuw moeten leren om in een auto mee te rijden, is het belangrijk om alles geleidelijk aan op te bouwen. Dit wenproces begint al door de auto eerst bij het huis of in de tuin te parkeren en de hond te laten snuffelen. Vervolgens open je de autodeur en probeer je de hond iets lekkers te laten eten in de auto (of als hem langer wil afleiden en belonen een goed gevulde Kong®), of laat hem spelen met zijn liefste speeltje rondom en in de auto. Als dit allemaal goed gaat, kun je gaan opbouwen met het sluiten van de autodeur en het aan- en uitzetten van de motor. Daarna kan er voorzichtig worden begonnen met korte stukjes rijden, bijvoorbeeld alleen in de straat. Als ook dit voldoende ontspannen lukt, kun je gaan oefenen met langere stukjes. Indien de hond op een bepaald moment iets gestrest is, dan is het belangrijk om een stapje terug te doen in het trainingsschema. Het gedrag van de hond is leidend voor de snelheid van de training. Blijf daarbij zelf zo rustig en geduldig mogelijk en straf je hond nooit. Naast deze oefeningen is het belangrijk om de autorit te laten eindigen in iets aangenaams, zoals een leuke wandeling, spelletje of een zwempartij. Dit soort eerste stappen kunnen bij de fokker al geoefend worden met pups van 7/8 weken. Dat is fijn voor de nieuwe eigenaar, die hoogstwaarschijnlijk zijn nieuwe pup in de auto mee naar huis zal gaan nemen! Zoals al eerder genoemd is het heel belangrijk om juist ook in de socialisatiefase van de pup voldoende aandacht te besteden aan autorijden (voor meer informatie over de impact van socialisatiefases, zie Infobrief Gedragskliniek voor Dieren 02|2011 of het recente reviewartikel van Dietz et al., 2018).

Heb je duidelijke aanwijzingen dat een bepaald onderdeel van het autorijden je dier stress geeft of angst aanjaagt, dan kan je hier heel gericht op gaan trainen. Is het bijvoorbeeld het geluid van de motor dan kan je zelfs met een geluiden-CD aan de slag waar opnames op staan van draaiende motoren (of zelf het geluid opnemen). Vervolgens kun je het geluid gaan oefenen door het geluid geleidelijk aan steeds harder aan te zetten op je stereo-installatie. Is je huisdier relaxt bij een bepaald geluidsniveau dan kan je een lekker voertje geven en/of met hem spelen. Zo krijgt het geluid dat aanvankelijk schrik aanjoeg een nieuwe meer positieve betekenis; er wordt dus een positieve associatie aangelegd. Dit zijn oefeningen die soms weken in beslag nemen en dus zeker niet in een middagje zijn gepiept. Plan dus alles goed van tevoren en neem royaal de tijd hiervoor. Train liever een paar maal per dag kort (2-5 minuten) dan éénmaal per dag een lange sessie. Zie je een terugval tijdens de training, begin dan weer opnieuw, en start op het punt dat het goed gaat, het dier dus relaxt en niet angstig is. Het is het handigst dit soort trainingen met 2 personen uit te voeren, zodat de één de handelingen kan doen met de auto, auto starten en kan rijden, en de ander de hond kan belonen voor goed gedrag (en tevens tot steun is).

Hulpmiddelen:

Wanneer een opbouw in de training lastig is, omdat een dier al zo angstig is dat hij de auto niet in wil en/of geen voer aan pakt, of als een dier last heeft van misselijkheid (zie hierboven), zijn er verschillende vormen van hulpmiddelen en/of medicatie mogelijk.
Tegen de stress kan een feromoonhalsband worden gegeven of er kan een feromoonspray worden gebruikt in de auto (sprayen minimaal 20 minuten vóór vertrek met ramen en deuren dicht). Een feromoon is een soortspecifiek lichaamseigen stofje dat een actieve rol speelt bij de positieve sociale communicatie en een stress reducerende werking kan hebben. Voor honden is er Adaptil® op de markt (voorheen DAP genoemd, Dog Appeasing Pheromone). Ook zijn er diverse voedingssupplementen verkrijgbaar, zoals Zylkène® (van  Vetoquinol) of Telizen® (van Virbac), waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat zij een stress/angst reducerende werking kunnen hebben zonder bijwerkingen. Start een week voor vertrek. Wells (2006) toonde aan dat de geur van lavendel honden bij het autorijden kalmeerden: de experimentele honden met lavendelgeur spendeerden significant meer tijd aan rusten en zitten en minder tijd aan bewegen en vocaliseren gedurende de autorit. Als dit alles niet lijkt te slagen, terwijl wel alle adviezen zijn opgevolgd, dan kan een kort werkend anxiolytisch middel als alprazolam (0.02-0.1 mg/kg 2 tot 4dd per os) overwogen worden voor een autorit.
Middelen om een dier te sederen tijdens het reizen zijn niet aan te raden, omdat de bijwerking een lage bloeddruk en afkoeling kunnen zijn.